Terug naar werkomgeving

Anatomie · Spier

M. supraspinatus

Ook bekend als: Musculus supraspinatus · Bovengraatspier

Snel overzicht

De m. supraspinatus is een spier van de rotator cuff die vanuit de fossa supraspinata naar het tuberculum majus van de humerus verloopt en bijdraagt aan elevatie van de arm en dynamische stabilisatie van het glenohumerale gewricht.

  • Draagt bij aan abductie/elevatie van de humerus.
  • Draagt bij aan dynamische stabilisatie van het glenohumerale gewricht.
  • Draagt samen met de overige rotator-cuffspieren bij aan compressie en centrering van de humeruskop ten opzichte van het glenoïd.

Anatomie

Oorsprong
Fossa supraspinata van de scapula.
Aanhechting
Bovenste facet van het tuberculum majus van de humerus.
Verloop
De spiervezels verlopen vanuit de fossa supraspinata lateraal richting de humerus. De pees passeert onder het acromion en maakt distaal deel uit van het aaneengesloten peescomplex van de rotator cuff.
Innervatie
N. suprascapularis, voornamelijk vanuit C5–C6.

Functionele anatomie

De m. supraspinatus draagt bij aan elevatie van de arm en aan de dynamische stabiliteit van het glenohumerale gewricht. Als onderdeel van de rotator cuff levert de spier compressieve kracht waarmee de humeruskop tegen het glenoïd wordt gestabiliseerd. De uiteindelijke bijdrage aan beweging en stabiliteit ontstaat in samenwerking met onder andere de overige rotator-cuffspieren en de m. deltoideus en varieert met gewrichtspositie en belasting. De supraspinatus moet daarom niet worden beschouwd als een spier met één geïsoleerde functie.

Klinische basis

De m. supraspinatus en zijn pees kunnen betrokken zijn bij rotator-cuffgerelateerde klachten en structurele afwijkingen. Bevindingen zoals pijn bij armheffing, verminderde kracht of provocatie bij weerstandstesten kunnen aanleiding geven om de rotator cuff verder te onderzoeken, maar zijn op zichzelf onvoldoende om klachten specifiek aan de supraspinatus toe te schrijven. Bevindingen worden daarom geïnterpreteerd in samenhang met de anamnese, functie en het overige klinische onderzoek.

Interpretatie en beperkingen

Pijnlocatie, lokale drukgevoeligheid of één positieve weerstandstest kunnen niet afzonderlijk aantonen dat de supraspinatus de bron van klachten is. Ook afwijkingen van de rotator cuff op echografie of MRI kunnen voorkomen zonder symptomen. Klinische en beeldvormende bevindingen moeten daarom in samenhang met symptomen, functie en de overige onderzoeksbevindingen worden geïnterpreteerd.

Palpatie en lokalisatie

De spierbuik bevindt zich in de fossa supraspinata, craniaal van de spina scapulae. Lateraal verloopt de musculotendineuze structuur richting het tuberculum majus en ligt een belangrijk deel diep ten opzichte van omliggende structuren. Palpatie kan worden gebruikt voor anatomische oriëntatie, maar lokale drukgevoeligheid kan niet betrouwbaar aantonen dat de supraspinatus de oorzaak van schouderklachten is.

Leren

  • Oorsprong: fossa supraspinata; aanhechting: tuberculum majus.
  • Innervatie verloopt via de n. suprascapularis, voornamelijk vanuit C5–C6.
  • De supraspinatus draagt bij aan zowel elevatie als dynamische glenohumerale stabiliteit.
  • De spier functioneert als onderdeel van de rotator cuff en niet als geïsoleerde abductor.
  • Een positieve weerstandstest of lokale pijn bewijst geen geïsoleerde supraspinatuspathologie.
Was dit nuttig?